
ZWIJNDRECHT - De invoering van twee ‘Spoedinterventieteams’ (SIT) in het Albert Schweitzer ziekenhuis heeft op de kleinere ziekenhuislocatie Zwijndrecht geleid tot een spectaculaire daling in het aantal reanimaties bij klinische ( = opgenomen) patiënten. Dit waren er zeventien in 2007, acht in 2008 en nog maar vier in 2009. Het SIT fungeert als ‘vooruitgeschoven post’ van de Intensive Care (IC). Het team kan met spoed worden opgeroepen door personeel van verpleegafdelingen, wanneer een opgenomen, ernstig zieke patiënt aan één of meer kenmerken voldoet die een voorbode zouden kunnen zijn van een plotse verslechtering van zijn of haar toestand.
In zo’n geval gaat een intensivist (IC-specialist) of een arts van de Spoedeisende Hulp samen met een IC-verpleegkundige onmiddellijk naar de patiënt op de verpleegafdeling toe. Dit gebeurde tussen mei 2008 en januari 2010 in Zwijndrecht 117 keer en op de locatie Dordwijk in Dordrecht 99 keer. In circa de helft van dit aantal gevallen zag het SIT inderdaad aanleiding om de patiënt over te brengen naar de IC. Uit de eerste statistieken blijkt dat met deze handelwijze inderdaad een ernstiger afloop wordt voorkomen. Het SIT werd actief in mei 2008 in de beide ziekenhuislocaties waar klinische patiënten verblijven. Intensivist en medisch kwaliteitsmanager Ralph So acht het op grond van dit resultaat ‘ondenkbaar’ dat het SIT ooit nog verdwijnt. ,,Deze trend in het aantal reanimaties is heel mooi.”
Dat het SIT in Zwijndrecht vaker wordt opgeroepen, terwijl deze locatie half zo groot is als Dordwijk, komt volgens So doordat op Dordwijk ’s nachts en in weekeinden meer specialisten aanwezig zijn die tussentijds kunnen worden geraadpleegd door verplegend personeel. Een SIT zou om die reden vooral geschikt kunnen zijn om de kwaliteit van zorg in (alle) kleinere ziekenhuizen fors te laten stijgen, stelt So. ,,Die kwaliteit neemt vervolgens nog meer toe, wanneer je – zoals wij doen – achteraf elke SIT-melding grondig analyseert en daarna terugkoppelt naar afdelingen en behandelaars of de melding te voorkomen was geweest en zo ja, hoe. Zo bereik je een optimaal leereffect.”
So legt uit wat aan de invoering van het SIT voorafging. ,,Na een reanimatie van een opgenomen patiënt kun je bijna altijd achteraf vaststellen dat in de acht à twaalf uur daarvóór alarmsignalen waarneembaar waren: bijvoorbeeld in de hart- of ademfrequentie, het bewustzijn of de urineproductie. Dat is al langer bekend, er is in Amerika veel onderzoek naar gedaan. Sinds 2004 scholen wij verpleegkundigen dan ook in het kennen en herkennen van deze signalen. Zij zijn daar goed in, zoals ook blijkt uit het feit dat in de helft van de gevallen waarin het SIT werd gebeld, hun zorg terecht was. In 2008 hebben we in het Albert Schweitzer ziekenhuis de procedure aangescherpt en het SIT in het leven geroepen, om met spoed opvolging te geven aan een oproep vanaf een verpleegafdeling.”
Op Dordwijk waren de reanimatiecijfers bij klinische patiënten 33 in 2007, 28 in 2008 en 32 in 2009. Hier is (nog) geen daling zichtbaar. So: ,,Dit kan komen doordat op Dordwijk structureel meer artsen aanwezig zijn, maar misschien had het SIT wel vaker mogen worden opgeroepen. Dat onderzoeken we nu. De veiligheid en kwaliteit van zorg verbeteren is een proces dat nooit stopt.” De cijfers zeggen niets over het succes van de reanimaties. So: ,,Reanimaties van klinische patiënten hebben in het algemeen succes in 50 procent van de gevallen. We zetten juist alles op alles om ze vóór te zijn.”
Deel dit artikel via je:


